ongelijk

onzijdig (het)/ˌɔnɣəˈlɛik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ongelijk hebben: iets niet goed of op een verkeerde manier begrijpen
    Albert kon haar wel duizend keer uitleggen dat dat er niets mee te maken had, zijn moeder was niet van het soort dat zomaar van mening veranderde, zij vond altijd weer andere voorbeelden en redenen, en had er een hekel aan ongelijk te hebben; ook in haar brieven kwam ze nog steeds terug op dingen van jaren geleden, het was doodvermoeiend. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

*afgeleid van gelijk

Vertalingen

Engelsdifferent, bumpy
Franstort
Spaansdesigual, distinto, diferente