ongel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔŋəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vet uit de ingewanden van veeDit vet kon worden gebruikt als smeermiddel, als brandstof of bij het bereiden van voedsel.
    Het flakkerlicht der dagelijkse kaars vaagde met de roetwalm van haar ongel de uitdrukking zijner teleurstelling weg, zo het heersende schemer een in zijn onrust hier verdoolde aan de schelle dag meteen hergaf.

Etymologie

*van Middelnederlands "ongel"

Uitdrukkingen

  • kaarsen van ongel maken