onfatsoenlijkheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets wat niet netjes en welgemanierd is volgens de geldende fatsoensregels
    Begreep ze de ware aard van deze dartele grappen? Natuurlijk moest dat wel, en om ze de schijn van welvoeglijkheid te geven, die de onfatsoenlijkheid van dit alles kon verbloemen, deed ze er zelf aan mee.

Etymologie

* afleiding van onfatsoenlijk