onafzetbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet uit een ambt gezet kunnen worden anders dan door een rechterlijke uitspraak of wettelijke bepaling
    Daar ergens werd de extra Zweedse ronde afgesloten, niet alleen omdat Gertrude misschien enig teken van ongeduld liet blijken, maar ook omdat Renata daar nu juist naartoe wilde, naar de onafzetbaarheid van rechters.

Etymologie

* afleiding van onafzetbaar