onaanzienlijkheid
vrouwelijk (de)/ˌɔnanˈzinləkˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het niet opmerkelijk zijnZij waren niet mooi, niet aantrekkelijk, maar afstotend evenmin, en hun onaanzienlijkheid had ze geen harde, bittere trekken gegeven.Het is wel zo makkelijk om in het rijk van de geest te verblijven. Dat scheelt wanhopige strooptochten door intimiderende kledingwinkels, waarbij in elk pashokje dezelfde moedeloos makende conclusie zich opdringt: deze outfit staat mij van geen kanten, ik zie eruit als een idioot, snel wegwezen en terug naar de veilige onaanzienlijkheid.
Etymologie
* afleiding van onaanzienlijk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek