omgaan

/ˈɔmɣan/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) om iets heen gaan
    U moet hier naar rechts en dan de kerk omgaan.
  2. erga (erga) verstrijken van de tijd
    De dag zal omgaan.
  3. erga (erga) omgang hebben met
    Ik ga met die leuke meid om.
  4. erga (erga) hanteren, rekening houden met
    Na Casa de Luna trok ik met The Rat Pack weer verder en onderweg bespraken we hoe we het beste konden omgaan met de komende hittegolf van meer dan 42 °C.
    Ik verbaasde me erover hoe een aantal jonge hikers buiten met de naderende storm omgingen.
    Een tel denk ik dat ze beledigd is en boos wil wegvluchten, zoals ze vroeger vaak deed wanneer ze niet kon omgaan met haar opborrelende woede.
werkwoord
  1. ov, verouderd (ov) (verouderd) passeren door een route rond iets of iemand te volgen
    En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen.

Uitdrukkingen

  • een straatje omgaaneen korte wandeling maken

Vertalingen

Engelscircumvent, go around
Spaanscircundar, rodear