omdraaien

/ɔmdrajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) een halve slag draaien
    Het oliebol was vanzelf omgedraaid.
  2. ov (ov) een halve slag doen draaien
    Hij draaide de bladzijde om.
  3. ov (ov) in het tegenovergestelde doen veranderen
    TV-station Fox draait de zaak om: ze gaat de reclame onderbreken door programma's, om kijkers vast te houden
  4. naar de tegenovergestelde richting gaan
    Omdraaien was al helemaal geen optie omdat dit de enige route was om het dal te bereiken.
  5. refl (refl) zich ~: een halve draai om zijn as maken
    Hij draaide zich aarzelend om en tuurde naar de plaats waar hij vandaan gekomen was. {{Aut|Herzen, Frank
    Albert stond in derde positie, achter Berry en de jonge Péricourt, die zich omdraaide als om na te gaan of iedereen er wel was {{Aut|Lemaitre, Pierre
  6. als centraal punt hebben
    Tijdens Johnsons termijn als premier stapelden de schandalen zich langzaam op. Het merendeel vond plaats in de categorie 'partygate'. Die zaak draait om verboden feestjes op het kantoor van Johnson tijdens coronalockdowns.

Vertalingen

Engelsturn around
Franstourner
Duitsumdrehen
Spaansvolver, retorcer