ombouwen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. verbouwen zodat een gebouw een andere functie heeft
    Hij heeft zijn huis laten ombouwen tot een museum.
    Zelfs de kantorenmarkt is opgeleefd. „Die heeft een hele tijd stilgelegen”, zegt Tromp. Maar in en rond Amsterdam dreigt dankzij de aantrekkende economie en het ombouwen en slopen van kantoren weer krapte te ontstaan, met name voor gebruikers die grote kantoorruimte zoeken. NRC Camil Driessen 11 januari 2017
  2. pejoratief (pejoratief) door een operatie van geslacht doen veranderen
    Geen vrouw zo mooi als een omgebouwde man (Haagse Post, 28/01/89)
  3. van een treinstel dat het geschikt gemaakt is om de andere kant op te rijden.