oerangst

mannelijk (de)/ˈurɑŋst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een hele heftige, aangeboren angst
    Student Bastian (20), die vooral is meegegaan vanwege zijn verliefdheid op een vrouwelijke medespeler, is terecht nogal sceptisch. Lange tijd werkt dat goed: wie gelooft anno 2013 nog in spoken? Maar gaandeweg, wanneer de groepsdruk toeneemt en de bijgelovigen zich tegen Bastian keren, verzuimt Poznanski te appelleren aan onze oerangst en wat er kan gebeuren als die je plotseling overmeestert. NRC Mirjam Noorduijn 22 maart 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/03/22/rollenspel-in-een-eng-woud-1222323-a592084 Rollenspel in een eng woud]
    Met pijn in je voet beseffen dat je verdwaald bent, wekte bij mij een potje oerangst op. NRC 23 november 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/11/23/verdwaaldelezers-1320115-a156189 VERDWAALDE LEZERS]

Etymologie

*afgeleid van angst