oen
mannelijk (de)/un/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) dom en/of onhandig iemandWat een oen is dat, zeg.
- (evenhoevigen) (landbouw) gecastreerde ezelhengst, ofwel ezelruinZij heeft een oen in haar bezit.
Etymologie
* Etymologie onduidelijk; mogelijk verwant met "loen". In de betekenis van ‘sufferd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612
Vertalingen
Engelsdonkey gelding
Fransâne hongre
DuitsKnilch, Macker
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek