oen

mannelijk (de)/un/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) dom en/of onhandig iemand
    Wat een oen is dat, zeg.
  2. evenhoevigen, landbouw (evenhoevigen) (landbouw) gecastreerde ezelhengst, ofwel ezelruin
    Zij heeft een oen in haar bezit.

Etymologie

* Etymologie onduidelijk; mogelijk verwant met "loen". In de betekenis van ‘sufferd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612

Vertalingen

Engelsdonkey gelding
Fransâne hongre
DuitsKnilch, Macker