occlusief
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌɔklyˈsif/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaalIn het Nederlands worden stemhebbende occlusieven, net als stemhebbende fricatieven, aan het eind van een lettergreep stemloos gemaakt.
Etymologie
*afgeleid van het Franse occlusif of daarvoor van het Latijnse 'occlusum'
Vertalingen
Engelsplosive
Fransocclusif
Russischсмычный
Japans破裂音
Zweedsklusil
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek