observatieperiode
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de tijd die men heeft om waarnemingen doet (om een diagnose te kunnen stellen)Ik wilde je zien, maar ze besloten me een tijdje op te sluiten, wat niet zo ongewoon is als je misschien denkt. Dat werd een 'observatieperiode' genoemd.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek