nut

onzijdig (het)/nʏt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. baat, voordeel; een bijdrage aan het bereiken van een doel
    Weet jij wat het nut is van die extra uitleg?
    ‘Wat is het nut van je wandeling? Je bereikt en verdient er niks mee.’
    ' Na een korte stilte zei hij: 'Ik ben je tot nut geweest.

Etymologie

* In de betekenis van ‘voordeel’ voor het eerst aangetroffen in 1505

Vertalingen

Engelsuse, profit
Fransutilité
DuitsNutzen
Spaansutilidad, provecho, ventaja