numismaticus
mannelijk (de)/ˌnymɪsˈmatiˌkʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) expert op het gebied van munt- en penningkundeVolgens de senior numismaticus van de dienst, dr. Danny Syon, gaat het om een zeer bijzondere vondst. Een dergelijke munt is tot nu toe slechts een keer eerder gevonden. Het andere exemplaar bevindt zich in het Britse Museum.Reformatorisch Dagblad 15 maart 2016 [https://www.rd.nl/kerk-religie/in-galilea-zeldzame-munt-gevonden-video-1.533563 In Galilea zeldzame munt gevonden (video) ]Dan sneed ik met de fiets de Moeren door, in de achttiende eeuw drooggelegd door Coberger, een homo universalis die ook numismaticus, schilder, architect en bouwkundige was.de Standaard 4 april 2003 [http://www.standaard.be/cnt/dst04042003_100 Frank Maes (Smak) over gelijkenissen tussen wielersport en kunst ]
- muntenverzamelaarWat deze mr Rueb voor verzameling had aangelegd en de wetenschappelijke hartstocht waarmee hij die bestudeerde en uitbreidde, dat kun je geen "hobby" meer noemen. Dit was niet minder dan een levenswerk, waarvoor hij dan ook - zo begreep ik pas veel later - nationaal en internationaal als numismaticus in hoog aanzien stond.de Standaard 27 september 2001 [http://www.standaard.be/cnt/dsl27092001_003 Dingenliefde (3). ]
Etymologie
* afleiding van numismaat
Vertalingen
Engelsnumismatist
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek