numero

onzijdig (het)/ˈnymeˌro/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onder het nummer, met het nummer, plaats in een rangschikking (gevolgd door een hoofdtelwoord)
    Datzelfde dreigt volgens analisten uit de oliebranche op korte termijn voor allerlei landen, met name ook voor olieleverancier numero één, Saudi-Arabië.
    Ende noch een weynigh daer na, Numero 3. schrijft hy ditte: want dese [t]wee, namelijc de rechtvaerdighmakinge ende heylighmakinge: zijn de effecten ofte werc[k]ingen, waer uyt de oorsake der selfde, te weten het ghelove, wordt bekent.
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets of iemand met een bepaalde plaats in een rangschikking (gevolgd door een hoofdtelwoord)
    Misschien zijn het blinden, misschien staan ze in een zeer donkere kamer, ze zijn met vier of ze zijn met zes. De één, die een flank betast, roept uit: ‘Dit lijkt wel een muur!’. ‘Welnee,’ spreekt de tweede hem tegen, ‘het is een touw’ - hij houdt de staart vast. Een volgende bevoelt een poot en houdt vol dat het gaat om een soort boom en de vierde - die de slurf aait - claimt een slang te ontwaren. Wellicht herkent een vijfde in de slagtanden speren of hengels en numero zes weet zeker dat hij zich met een oor koelte kan toewuiven: het is immers een waaier.
    Het archief van het Amsterdamsch Studenten Corps bevat jaarsgewijs autobiografische aantekeningen van alle leden. In de stukken van het jaar van Menno ter Braaks inschrijving, 1921, ontbreekt echter tussen nummer 2 (K.W.H. Berger) en nummer 4 (C.H. Bruyn), het numero 3.
  3. figuurlijk (figuurlijk) gespeelde handelingen waar een andere bedoeling achter zit
    Een liberaal kopstuk noemde de opschorting van de onderhandelingen "een numero om meer binnen te kunnen halen".
  4. verouderd (verouderd) reeks cijfers als kenmerk
    Wij stonden beiden voor het bureau, waar de praktische Spoorweg Maatschappij koperen plaatjes met het numero van Fiaker of Droschke doet uitreiken. Komt men, daarmee gewapend, aan den uitgang, dan overhandigt men het den deftigen Suisse met den ontzagwekkenden tamboer-majoorstok; en deze roept het af en het daarmee corresponderend rijtuig treedt uit de file en rijdt voor.

Etymologie

*van Latijn "numero", ablativus van "numerus", "bij het nummer", aangetroffen vanaf 1589 (zie vindplaats hieronder), bij de ontwikkeling van de betekenis beïnvloed door "numéro"