november

mannelijk (de)/noˈvɛmbər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) elfde maand van het jaar
    Op 11 november wordt in sommige streken Sint-Maarten gevierd.
    Zo werd op een winderige dag in november een kleine magere jongen binnengelaten bij de Sint en zijn honderd Pieten.
    De mensen die vanuit Canada vertrekken (de South Bounders, SOBO) vertrekken vaak in juni en komen begin november aan bij Mexico.

Etymologie

*van Middelnederlands """, in de betekenis van ‘elfde maand’ aangetroffen vanaf 1266; ontleend aan Latijn """ "negende maand", omdat het Romeinse jaar oorspronkelijk met maart begon, zodat november de negende maand was

Vertalingen

EngelsNovember
Fransnovembre
DuitsNovember
Spaansnoviembre
Italiaansnovembre
PortugeesNovembro, novembro
Russischноябрь
Chinees十一月
Japans11月
Koreaans십일월
Arabischنوفمبر
Turkskasım
Poolslistopad
Zweedsnovember
Deensnovember