notaris

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken, te bewaren en uit te geven
    Gesprekken tussen Struis en de gemeente Deventer hebben de afgelopen weken niets opgeleverd. Volgens Struis’ advocaat Rob Dommerholt schendt de gemeente eerdere afspraken met Struis, die bij een notaris zijn vastgelegd. Tubantia Buurman ‘Viking’ vraagt rechter om bouwstop filmtheater [https://www.tubantia.nl/deventer/buurman-viking-vraagt-rechter-om-bouwstop-filmtheater~aac2d1c4/ Judah Bolink 23-04-19]
    Joods vastgoed met hulp notarissen onteigend [http://www.parool.nl/parool/nl/224/BINNENLAND/article/detail/3478972/2013/07/20/Joods-vastgoed-met-hulp-notarissen-onteigend.dhtml www.nu.nl]

Etymologie

* Middelnederlands notārius, notāris, notārijs ‘door het geestelijk, later ook wereldlijk, gezag aangestelde beambte die rechtsgeldige akten opmaakt’, leenwoord uit Latijn notārius ‘stenograaf, secretaris’.

Vertalingen

Engelsnotary
Fransnotaire
DuitsNotar
Spaansnotario
Italiaansnotaio
Poolsnotariusz