nos

vrouwelijk (de)/ˌɛnoˈɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. media (media) samenwerkingsverband en coördinatieorgaan van de publieke omroep
    Ruim 1,4 miljoen tv-kijkers stemden zaterdag af op de NOS-uitzending van het traditionele 5 mei-concert aan de Amstel.Het Parool 6 MEI 2018 [https://www.parool.nl/amsterdam/ruim-1-4-miljoen-kijkers-5-mei-concert~a4597515/ Ruim 1,4 miljoen kijkers 5 mei-concert ]
    Justitie onderzoekt of er een terroristisch motief is. Volgens de NOS wil het Openbaar Ministerie niet zeggen of de verklaring van F. het vermoeden van terrorisme versterkt of afzwakt.de Telegraaf 8/5/2018 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/2013348/messteker-malek-f-legt-verklaring-af Messteker Malek F. legt verklaring af ]
    Ook het gebruik van wegwerp-schoonmaakdoekjes moet aan banden worden gelegd. De doekjes, gebruikt om onder meer make-up mee weg te halen, veroorzaken meer dan 90% van de rioolverstoppingen in Groot-Brittannië, weet ook de NOS.de Telegraaf 8/5/2018 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/2010338/europa-wil-verbod-op-plastic-wattenstaafjes Europa wil verbod op plastic wattenstaafjes ]

Etymologie

*(initiaalwoord) van Nederlandse Omroep Stichting