Noordpool
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈnortpol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (aardrijkskunde) uiteinde van de aardas of de as van het aardmagnetisch veld op het noordelijk halfrondEen kompasnaald wijst met z'n zuidpool naar de magnetische noordpool van de aarde.
- (natuurkunde), (techniek) punt van een magneet waar de veldlijnen naar buiten komenIedere magneet heeft een zuid- en een noordpool.
- (natuurkunde), (techniek) uiteinde van de as van een omwentelingslichaam, of van een elektrische geleider, dat door het hulpmiddel van de zg. “rechterhandregel” als noordpool wordt aangewezenDe magnetische noordpool van de aarde valt niet precies samen met de geografische.
Vertalingen
Engelsnorth pole
Franspôle nord
DuitsNordpol
Spaanspolo norte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek