nonnetje

/ˈnɔnəcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eendvogels (eendvogels) soort eend, uit de familie (Zwanen, ganzen en eenden), behorende tot de zaagbekken
    Het nonnetje leeft vooral van vis en bezoekt de Lage Landen 's winters vanuit zijn broedgebieden in het hoge noorden van Scandinavië en Siberië
  2. tweekleppigen (tweekleppigen) in zee levende tweekleppige,
    De schelpen van het nonnetje zijn op het Noordzeestrand een gewone verschijning.
  3. vlinders (vlinders) soort grauw gekleurde vlinder,

Etymologie

*[2]-[4] omdat het uiterlijk aan vrouwelijke kloosterlingen doet denken

Vertalingen

Engelssmew
Fransharle piette
DuitsZwergsäger
Spaansserreta chica
Italiaanspesciaiola
Japansミコアイサ
Koreaans흰비오리