non

vrouwelijk (de)/nɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) inwoonster van een vrouwenklooster
    Nonnen kan men makkelijk herkennen aan hun typische zwart-witte kledij.
    Wanneer ik de deur open en de ontvangstruimte binnenstap, roept iemand mijn ' Madame Bonnet?' Een lange en statige non nadert me, steekt haar hand naar me uit en stelt zich voor als zuster Geneviève.
    De oude non schudt haar hoofd.
  2. soort vogel en soort vlinder die qua uiterlijk lijken op bovenstaand vrouwspersoon

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kloosterzuster’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsnun
Fransnonne
DuitsNonne
Spaansmonja
Italiaanssuora
Portugeesfreira
Russischмонахиня
Zweedsnunna