non
vrouwelijk (de)/nɔn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) inwoonster van een vrouwenkloosterNonnen kan men makkelijk herkennen aan hun typische zwart-witte kledij.Wanneer ik de deur open en de ontvangstruimte binnenstap, roept iemand mijn ' Madame Bonnet?' Een lange en statige non nadert me, steekt haar hand naar me uit en stelt zich voor als zuster Geneviève.De oude non schudt haar hoofd.
- soort vogel en soort vlinder die qua uiterlijk lijken op bovenstaand vrouwspersoon
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kloosterzuster’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsnun
Fransnonne
DuitsNonne
Spaansmonja
Italiaanssuora
Portugeesfreira
Russischмонахиня
Zweedsnunna
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek