noga

mannelijk (de)/ˈnoɣa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) zoete lekkernij bereid uit honing, suiker en glucosestroop, stijfgeklopte eiwitten en geroosterde noten (amandelen, walnoten, hazelnoten of pistachenoten) en/of gekonfijte of gedroogde vruchten

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans (nougat), in de betekenis van ‘een lekkernij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1860

Vertalingen

Engelsnougat
Spaansalmendrado, nougat, turrón