nikker

mannelijk (de)/ˈnɪkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) laatdunkende term voor "neger", een oorspronkelijke, donkerhuidige bewoner van Afrika ten zuiden van de Sahara
    Ik ken Will Mayes. Dat is een goeie nikker.
    Hij keek er naar terwijl de oude neger, die kennelijk met huis en inventaris van de gevluchte bezitter was achtergebleven, langs breedbeloperde traptreden voorging. ‘Hierheen, nikker.’ De oude zei weer het goedmoedige, verachtelijke woord dat hij levenslang tot zijn mede-slaven gezegd had.
  2. boze watergeest of duivel
    Ik had ook een watergeest, een aardgeest of een vuurgeest kunnen sturen: een nikker, een alf of de gloeiende paap...
    Deze waterduivel draagt bij de meeste andere Germaanse volkeren de naam van nikker, maar bij Friezen heet hij bûze-happert, die nog door de ouderen gebruikt wordt om de kinderen van de wal van gevaarlijke diepten af te houden; want die waterduivel wordt voorgesteld als loerende op de bodem om kinderen, die in het water spelen, bij de klederen naar onderen te scheuren.

Etymologie

**[1] onder invloed van neger en "nigger"

Vertalingen

Engelsnigger