niesbui

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈnizbœy/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plotseling, aanhoudend moeten niezen door een prikkeling van de neus
    Het vierde bedrijf. Nu gaat het gebeuren. De alginaatoplossing - die er dus verdacht veel uitziet als behanglijm - gaat in een rvs kom. Ik vul een 5 ml-maatlepeltje olijvenbasis en laat het zakken in de vloeistof. Na tweeënhalve minuut vis ik iets op dat meer doet denken aan een uit de hand gelopen niesbui dan aan olijven. Sferisch danwel conventioneel. NRC Janneke Vreugdenhil 5 maart 2016
    Wie allergisch is voor pollen van de hazelaar, moet tijdens de Kerst rekening houden met niesbuien en tranende ogen. Door het zeer zachte weer bloeien de eerste hazelaars weken eerder dan normaal. Met temperaturen ruim boven de 10 graden zullen veel hazelaars rond de Kerst al in bloei staan, melden onder meer Wageningen University en het Leids Universitair Medisch Centrum. Dat hazelaar, en ook de els, al bloeien, komt door de recente hoge temperaturen in combinatie met een paar nachten vorst half oktober. De twee boomsoorten hebben een koude periode nodig om snel in bloei te komen zodra de temperaturen flink oplopen. NRC 15 december 2015
    Maar het viel niet tegen te houden als het kwam, het was als een plotselinge niesbui.