nieges
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈniɣəs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- berouw, spijt
- onbehagen
Etymologie
* Herkomst: Bargoens; via Jidd. niechesj "vrees" uiteindelijk van Hebr. niechoesj, "tovenarij"
Uitdrukkingen
- Zich de nieges schamen — Zich diep, erg schamen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek