nieges

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈniɣəs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. berouw, spijt
  2. onbehagen

Etymologie

* Herkomst: Bargoens; via Jidd. niechesj "vrees" uiteindelijk van Hebr. niechoesj, "tovenarij"

Uitdrukkingen

  • Zich de nieges schamenZich diep, erg schamen