neusspiegel

mannelijk (de)/ˈnøspiɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vochtig, onbehaard deel van de bovenlip of snuit met daarin de neusgaten (zoals bij herkauwers en honden)
    De neusspiegel is goed ontwikkeld en de kleur ervan is bruin.
  2. medisch (medisch) instrument waarmee de neusholte kan worden bekeken