neolithicum

onzijdig (het)/nejoˈlitikʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. archeologie (archeologie) laatste periode van de steentijd, beginnend met de overgang naar landbouw en het gebruik van gepolijste stenen, waar vanaf 11.000 v.Chr. voorbeelden van zijn, tot aan het eerste gebruik van brons, met eerste voorbeelden vanaf 3.000 v. Chr.
    Toch zijn we boeren sinds het neolithicum.

Etymologie

*van "Neolithic" , als naam voor het tijdperk in 1865 voorgesteld door de 19e-eeuwse Engelse archeoloog , gevormd uit νέος (néos) "jong, nieuw" en λίθος (líthos) "steen", dus: "nieuwe steentijd"; in de betekenis van ‘geologische periode’ aangetroffen vanaf 1925

Vertalingen

EngelsNeolithic, New Stone age
FransNéolithique
SpaansNeolítico