neerbuigendheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het iemand schijnbaar beleefd behandelen maar waarbij men toch ook duidelijk laat merken dat men die persoon minderwaardig vindt
    Theo's afkeer van zijn stiefmoeder was tastbaar en de oude mevrouw Blake behandelde Beatrice met minzame neerbuigendheid.
    Er zullen ongetwijfeld cynische commentaren over het spelniveau in de kranten verschijnen, daar moet niemand zich iets van aantrekken. Laten we deze mijlpaal vieren, en wat mij betreft mag de man Houtkamp, nee, mogen alle mannen vrouwenvoetbal verslaan, zonder dedain en neerbuigendheid.

Etymologie

*afleiding van neerbuigend

Vertalingen

Engelscondescension