nazaat

mannelijk (de)/ˈnazat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand met een specifieke voorouder of specifieke voorouders
    Hij is een verre nazaat van Karel de Grote.

Etymologie

*van Middelnederlands "nasate", op te vatten als , in de betekenis van ‘nakomeling’ voor het eerst aangetroffen in 1425

Vertalingen

Engelsdescendant, offspring, successor
DuitsNachkommen
Spaansdescendiente, sucesor