namiddag
mannelijk (de)/ˈnamɪdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening) (in Nederland) tijd aan het einde van de middag of in het tweede deel van de middag, ongeveer van 16.00 tot 18.00 uur„Het was een bewolkte, zwoele namiddag; de matrozen hingen lui op het dek rond of staarden wezenloos over het loodkleurige water. Queequeg en ik waren rustig een zogenaamde zwaardmat aan het weven als extra sjorring voor onze sloep. Om ons heen was alles zo stil en gedempt en toch ook vervuld van wat ging komen en in de lucht hing zo’n mijmerachtige betovering dat die zwijgende mannen stuk voor stuk in hun eigen onzichtbare ik leken op te gaan.
- (tijdrekening) tijd na het middaguur, 12.00 uur
Etymologie
*[2] middag opgevat als midden van de dag, 12.00 uur
Vertalingen
Engelsafternoon
Fransaprès-midi
DuitsNachmittag
Spaanstarde
Italiaanspomeriggio
Zweedseftermiddag
Deenseftermiddag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek