nachtblind

onzijdig (het)/ˈnɑx(t)blɪnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, historisch (bouwkunde) (historisch) luik om vensters af te sluiten wanneer het donker wordt
    In den nacht van 1 op 2 Juni j.l. was de 31-jarige petroleumventer M. D. uit Standdaarbuiten de woning van den den landbouwer P. BI. aldaar binnengedrongen, door een raam, toegang gevende tot die woning, open te schuiven, het voor dat raam zich bevindende nachtblind weg te schuiven en daarna dat huis binnen te gaan.

Etymologie

[http://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBNRC01:000030707:mpeg21:a0203 "Ziek" in: NRC Handelsblad jrg. 23 nr. 152 (30 maart 1993)]; p. 22 kol. 7; geraadpleegd 2016-12-09