nabuur

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die dicht in de buurt woont
    Niet voor niets heet de bouwcombinatie Noaber18: noaber zoals in het Twents/Achterhoekse begrip nabuur: de buurman met wie je verbonden bent in lief en leed. Hoewel veel Noaber18-medewerkers zich na voltooiing van de weg zullen terugtrekken, blijft de band deels bestaan: de aannemerscombinatie blijft de weg namelijk 25 jaar onderhouden.
    „Diverse klankkleuren worden eruit gelicht”, legt streektaalconsulent Harry Nijhuis uit. „Daarnaast laat de kaart ook overeenkomsten zien tussen het Neder- en Angelsaksisch. „Bekend voorbeeld is het Twentse woord noaber (nabuur) dat sterk lijkt op het woord neighbour uit het Angelsaksisch taalgebied.”
  2. bewoners van een aangrenzende gemeente, provincie of land

Vertalingen

Engelsneighbour
Spaansvecino