nablaffen
Betekenis
werkwoord
- blaffen tegen iets of iemand die al aan het weggaan isDit gezegd hebbende wendde hij zich om en wandelde met bedaarde schreden heen, met Feiko en Sytske achter hem. Zoolang de menigte nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest; maar even als kleine keffers, die beängst wegdruipen wanneer een moedige dog hen aanziet, maar hem nablaffen zoodra hij zich verwijdert, zoo hief ook het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo gevreesde Friezen niet meer in 't aangezicht zag. Reformatorisch Dagblad Jacob van Lennep [https://www.dbnl.org/tekst/lenn006roos01_01/lenn006roos01_01_0004.php De roos van Dekama]
- napraten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek