naamloosheid
vrouwelijk (de)/namˈloshɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het naamloos zijnDe naamloosheid van de lijken in het massagraf kon d.m.v. DNA-onderzoek worden opgeheven.
Etymologie
* afgeleid van naamloos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
* afgeleid van naamloos