naamlijst
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈnamlɛist/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lijst met namenHij voelde het aan de vrolijke klanken van de regimentsmuziek die aan de linkerkant van het veld opklonken, en hij voelde en begreep het vooral door de naamlijst die de Franse officier 's ochtends bij het appèl had voorgelezen.
- lijst van kandidaten die onder een gemeenschappelijke naam meedoen aan verkiezingenVolgens de raad heeft een eerder tijdstip, zoals 27 juni, ingrijpende gevolgen. Zo hebben nieuwe partijen geen mogelijkheid om met een 'naamlijst' mee te doen omdat de registratietermijn verstreken is. Ze kunnen dan alleen meedoen onder 'nummer'.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek