muziekkapel

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klein muziekorkest, klein muziekkorps
    Met dreunende trom marcheren ze het voetbalveld op. Als Schotse doedelzakkers, maar dan op z'n Turks: Mehter Takimi uit Rotterdam, een muziekkapel gebaseerd op de oude militaire orkesten van het Ottomaanse Rijk. Tubantia 30-05-2016
  2. overdekte ruimte waar een orkest in de buitenlucht een concert kan geven
    De muzikanten bleven tijdens het optreden lekker droog in de muziekkapel terwijl de luisteraars nat werden van de regen.
    Eén grote afwezige: prins Laurent. ’Ik ben verhinderd, maar ik kom nog naar het feestje’, liet Laurent weten. Anderhalf uur te laat sloop hij de muziekkapel binnen voor het slot­akkoord. Maria Laura (28), de oudste dochter van Astrid, was ook afwezig. Maar zij had een goede reden: ze woont en werkt in Engeland. Het verjaardagsfeestje voor Paola werd heel vroeg ­georganiseerd: pas op 11 september wordt ze echt 80. de Standaard 30/06/2017 door dhs

Vertalingen

Engelschapel