muziek
vrouwelijk (de)/my'zik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kunst) door mensen geordend akoestisch fenomeen binnen een afgebakend tijdsintervalDe traditionele elementen van muziek zijn: ritme, melodie en harmonie.de muziek van BachOp een hoge tafel in de hoek stond een grote bakelieten radio met een verzilverde draaischijf waarin vooroorlogse zendstations waren gegraveerd. Waarschijnlijk zou hij met de juiste transformator nog aan de praat te krijgen zijn. Maar er zou niet dezelfde muziek uit opklinken als vroeger.
- toonkunstmuziek makenaan ~ doenHet was altijd feest als ik hem tegenkwam omdat we dan samen muziek konden maken bij het kampvuur.
- voor reproductie van compositie vastgelegde muziek
- voor reproductie van klank vastgelegde muziek~ verzamelen
- een verschijningsvorm van de onder 1) genoemde definitiegraag ~ in huis hebben~ beluisterener is ~ aanwezig
- (figuurlijk) geluid dat om gevoelsmatige of esthetische waarde gemaakt of gehoord wordtde muziek van de zee
- (figuurlijk) positieve waarderingdaar zit ~ in
Etymologie
*afgeleid van muze
Uitdrukkingen
- Zelf niet met iets nieuws komen
- Sneller met iets zijn dan de bedoeling is
- Onverwacht en vaak net op een ongelegen moment verdwenen
- Dat klinkt als muziek in de oren — Dat maakt een heel goede eerste indruk
- Ergens muziek in zitten — ergens veel van kunnen verwachten en/of plezier van beleven
- : musik
Vertalingen
Engelsmusic
Fransmusique
DuitsMusik
Spaansmúsica
Italiaansmusica
Portugeesmúsica
Chinees音乐
Poolsmuzyka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek