muziek

vrouwelijk (de)/my'zik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kunst (kunst) door mensen geordend akoestisch fenomeen binnen een afgebakend tijdsinterval
    De traditionele elementen van muziek zijn: ritme, melodie en harmonie.
    de muziek van Bach
    Op een hoge tafel in de hoek stond een grote bakelieten radio met een verzilverde draaischijf waarin vooroorlogse zendstations waren gegraveerd. Waarschijnlijk zou hij met de juiste transformator nog aan de praat te krijgen zijn. Maar er zou niet dezelfde muziek uit opklinken als vroeger.
  2. toonkunst
    muziek maken
    aan ~ doen
    Het was altijd feest als ik hem tegenkwam omdat we dan samen muziek konden maken bij het kampvuur.
  3. voor reproductie van compositie vastgelegde muziek
  4. voor reproductie van klank vastgelegde muziek
    ~ verzamelen
  5. een verschijningsvorm van de onder 1) genoemde definitie
    graag ~ in huis hebben
    ~ beluisteren
    er is ~ aanwezig
  6. figuurlijk (figuurlijk) geluid dat om gevoelsmatige of esthetische waarde gemaakt of gehoord wordt
    de muziek van de zee
  7. figuurlijk (figuurlijk) positieve waardering
    daar zit ~ in

Etymologie

*afgeleid van muze

Uitdrukkingen

  • Zelf niet met iets nieuws komen
  • Sneller met iets zijn dan de bedoeling is
  • Onverwacht en vaak net op een ongelegen moment verdwenen
  • Dat klinkt als muziek in de orenDat maakt een heel goede eerste indruk
  • Ergens muziek in zittenergens veel van kunnen verwachten en/of plezier van beleven
  • : musik

Vertalingen

Engelsmusic
Fransmusique
DuitsMusik
Spaansmúsica
Italiaansmusica
Portugeesmúsica
Chinees音乐
Poolsmuzyka