muntjak
mannelijk (de)/ˈmʏncɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) benaming voor kleine hertachtigen uit het geslacht , die een blaffend geluid voortbrengen en zoals die voorkomen in Oost-AziëHoe lastig is het om voor kwetsbare zoogdieren te zorgen? Van Gennep: „Nou, ik sta hier bij een stekelvarken dat zojuist een hok ondersteboven heeft gewoeld. Ik ben blij dat het niet mijn achtertuin is.” En een muntjak? „Die moet je niet willen. Schichtige dieren die opspringen als je ze laat schrikken. Daarbij breken ze al hun botjes. Dus als een dierenarts zo’n dier een wormenpil wil geven, neem dan gelijk de spalkjes maar mee.”Want de tanden – muntjaks hebben tanden – konden van geen ander hert zijn.{{ouds
Etymologie
*van "mencek" in de betekenis "blaffend hert" aangetroffen vanaf 1887 (zie vindplaats hieronder) Op grond van de uitspraak is ontlening van de Neolatijnse naam aan het Nederlands aannemelijker dan omgekeerd.
Vertalingen
Engelsbarking dear, muntjac
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek