muis
vrouwelijk (de)/mœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (knaagdieren) klein zoogdier, meestal van het geslacht , met spitse snuit, grote oren en ogen en een lange, bijna onbehaarde staartSoms ook zelfs plastic driewielers, leren laarzen en een bierflesje met een dode muis erin.
- verlegen, onopvallend persoon
- (informatica) invoerapparaat voor de computer dat wordt bewogen over een mat of ander oppervlak om een aanwijzer op een beeldscherm te bewegenMijn muis was stuk dus moest ik alles met het toetsenbord doen.
- (anatomie) het onderste vlezige deel van de duim
- (alleen verkleinwoord meervoud) gesuikerde anijszaadjes, gebruikt als broodbelegAls er een kind geboren is, wordt traditioneel getrakteerd op beschuit met muisjes.
Etymologie
*[5] (verkorting) van muizenkeuteltjes
Uitdrukkingen
- Als de kat van huis is, dansen de muizen (op tafel) — Als er geen (m,n. ouderlijk) toezicht is, doen de kinderen waar ze zin in hebben
- Als een muis in de val zitten — Vastzitten zonder uitweg
- De berg heeft een muis gebaard — Er is heel veel beloofd, maar daar is niets of heel weinig van waargemaakt
- Het is een slechte muis die maar één hol heeft — Het is beter om altijd een alternatieve oplossing, een plan B achter de hand te hebben
- Met iemand spelen als de kat met de muis. — Iemand voor de gek houden, met iemand sollen
- Met man en muis vergaan — Vergaan zonder overlevenden (v.e. schip)
- Zo stil als een muis, muisstil — Heel stil
Vertalingen
Engelsmouse, mouse, ball
Franssouris, souris
DuitsMaus, Maus
Spaansratón, ratón
Italiaanstopo, sorcio, ratto
Portugeesrato, ratinho, rato
Russischмышь
Chinees鼠
Japans鼠, マウス
Koreaans쥐
Turksfare, fare
Poolsmysz, myszka komputerowa
Zweedsmus, mus, datormus
Deensmus
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek