mufheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het saai en niet fris zijn van iets of iemandHet meeste schaamt ze zich voor een outfit waarbij ze een wijde, zalmkleurige broek combineert met een eveneens zalmkleurig overhemd met Hawaii-print. „En verder was ik gek op schoudervullingen. Soms klemde ik er wel twee of drie onder mijn behabandje. Als mijn moeder ze in de was stopte, raakte ik compleet in paniek. Dan kwamen ze eruit als een klontje. Het liefst waste ik ze nooit. Dat resulteerde soms in enige mufheid. Dan dacht ik: wat ruik ik nu?” De Telegraaf 26 jul. 2017 [https://www.telegraaf.nl/entertainment/277033/dyanne-beekman-geboren-zonder-stijl Dyanne Beekman: ’geboren zonder stijl’]In de heimwee naar die van existentiële verveling doordesemde mufheid, die we met het klimmen der jaren door het falen van ons geheugen gaan verwarren met een knus gevoel, ligt voor het CDA de oplossing besloten voor alle problemen in onze samenleving. NRC Ilja Leonard Pfeijffer 26 juni 2015 [https://www.nrc.nl/nieuws/2015/06/26/de-ideale-samenleving-volgens-het-cda-samen-lache-1506904-a669396 De ideale samenleving volgens het CDA: samen lachen om Wim Kan]
Etymologie
* afleiding van muf
Vertalingen
Engelsboredom
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek