mooiigheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het fraai zijn van ietsDe zee was ongetwijfeld nog even blauw als ten tijde van de oude Grieken, maar het was de ordinaire, witgekwaste schuit die het decor lelijk maakte van mooiigheid.We zoeken het te vaak in de mooiigheid: in de stenen en het groen van een met droefenis gevulde Klokkenplas, of in wijdse ideeën die in het niets oplossen.
- iets dat heel fraai is
Etymologie
* afleiding van mooiig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek