monoloog

mannelijk (de)/ˌmonoˈlox/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
    Hij hield een lange monoloog waar helaas niemand wat van begreep.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘alleenspraak’ voor het eerst aangetroffen in 1872

Vertalingen

Engelsmonologue, soliloquy
Fransmonologue
DuitsMonolog, Selbstgespräch
Spaansmonólogo, soliloquio
Zweedsmonolog