monnikspij

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mantel waarin kloosterlingen zich hullen
    In haar gezellige kamer met lampen voor de iconenkastjes zat een jongen met een lange neus en lang haar, in een monnikspij, naast haar op de divan, bij de samowar.
    Giel spreekt dat tegen. Hij is vanaf zijn zesde geïnteresseerd in het boeddhisme, zei hij tegen Belgische media. "Nadat ik de dalai lama had gezien, heb ik weken gezeurd om een monnikspij."