mondkus
mannelijk (de)/ˈmɔntkʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een zoen op de mondOp de nonnenschool zat ik in een klas met alleen maar meisjes en onder elkaar werden gesprekken gevoerd over het grote verschil tussen een mondkus en een tongkus. NRC F. Dam 11 november 2005 [https://www.nrc.nl/nieuws/2005/11/11/je-wilde-geen-matras-zijn-11041180-a302017 `Je wilde geen matras zijn']Tot slot. Er zijn gelukkig een paar vrouwen die mij kussen. Op de linkerwang, op de rechter en de derde kus op de neus, of op de mond. Een mond-op-mondkus. Dat is, in elkaars armen, een prettig gevoel, want daaruit blijkt een wederzijdse sympathie. Dus dan kus je elkaar een keer innig op de mond. Of twee keer. Of drie keer. In het openbaar. Waar iedereen bijstaat. En, voordat je elkaar loslaat, nog een lange, laatste keer. Dat mag. Kon vroeger niet. NRC G. Krol 15 oktober 1996 [https://www.nrc.nl/nieuws/1996/10/15/kussen-7328030-a108443 Kussen]Goedlachs komt moeder / in bikini uit de keuken, haar zenuwen zonder hulp // de baas vandaag. [...] Zich verheugend / op de herinnering alvast, schrikt ze haar wederhelft // met de zachtste mondkus wakker – en vader vuilbekt niet / ditmaal maar richt zich glunderend uit zijn ligstoel op, / fluistert "moet je eens horen" in moeders oor, // verdwijnt de wijd openstaande vesting in. NRC I.L. Pfeijffer 14 november 2003 [https://www.nrc.nl/nieuws/2003/11/14/de-grote-grap-die-werkelijkheid-heet-7662067-a548399 De grote grap die werkelijkheid heet]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek