monarch

mannelijk (de)/moˈnɑrᵊx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. alleenheerser
    De hoogbejaarde monarch kampt sinds oktober, toen ze kort in het ziekenhuis werd opgenomen, met een broze gezondheid en mobiliteitsproblemen. Sindsdien heeft ze verschillende afspraken moeten afzeggen of digitaal vanuit huis bijgewoond. Vorige week liet ze nog verstek gaan bij haar troonrede.
  2. vlinders (vlinders) monarchvlinder

Etymologie

*via Middelnederlands "monarcha" of """ via laat Latijn "monarcha" van "μονάρχης" (monárchès), in de betekenis van ‘oppervorst’ aangetroffen vanaf 1480

Vertalingen

Engelsmonarch
Spaansmonarca