mogen
/ˈmoɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (modl) ergens toestemming voor hebbenHij mag veel te veel.Wij mochten niet komen.Ik vond binnen vijf minuten een blokhut in de buurt voor de hele groep. Die avond zouden we eindelijk een gezonde maaltijd kunnen koken. Na de lunch mochten we erin.
- (onpr) toegestaan zijnNee, dat mag niet.
- (ov) aardig/sympathiek vinden, houden van (in deze betekenis vaak gevolgd door graag)Ik mag die jongen welAlbert mocht hem niet. Misschien omdat hij knap was.{{Aut|Lemaitre, PierreZo iemand moest je wel mogen. Bewonderen zelfs, omdat ze het niet altijd even gemakkelijk kon hebben gehad in haar leven.
- (modl) drukt een wens uit ten aanzien van het grammaticale onderwerpMogen zij in vrede rusten.
- (modl) kunnenJe mag aannemen dat het zo klopt.Het mocht niet baten.
- (modl) drukt uit dat iets tot de mogelijkheden behoort, maar niet noodzakelijkerwijs hoeft te zullen gebeuren; in deze betekenis alleen onvoltooid verleden tijd[https://web.archive.org/web/20101115165124/http://taal.vrt.be/taaldatabanken_master/taalmail/taalmail453.shtml Taalmail 453 van 20 september 2010, vraagpunt nr 5]Mocht het toch anders lopen, dan bekijken we deze zaak opnieuw.
- (ov) "lusten"
- (modl) iets moeten'Je mag best de afwas doen en je rotzooi opruimen' zei de vrouw tegen haar slordige en luie man.Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon. Een bijrolletje in de historie van La Planche is genoeg. Morgen mogen de mooie jongens.
Etymologie
:Oost: : magan
Vertalingen
Engelsmay, allowed
Duitsdürfen, möchten, mögen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek