mocro
mannelijk (de)/ˈmɔkro/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straattaal) (pejoratief) iemand van Marokkaans afkomstAjouad El Miloudi (29) wilde tijdens het maken van zijn nieuwe programma „Ajouad: kaaskop of mocro?” vier tot vijf keer stoppen.Een mocro zegt tegen een andere mocro: Jij kan zeker geen halloween achterstevoren zeggen! Zegt die ander dus: Nee wollah!
Etymologie
*ontleend aan de Amsterdamse Surinaamse straattaal, een verbastering van "Marokko" of Frans "Maroc", kennelijk geassocieerd met het Surinaamse woord "mokro" “moker”
Vertalingen
Fransbeur, rebeu
DuitsNafri
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek