mixer

mannelijk (de)/ˈmɪksər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) apparaat om te mengen, om een mengsel (mix) te maken
  2. huishouden, kookkunst (huishouden) (kookkunst) keukengereedschap om fijne of vloeibare ingrediënten mee te mengen
  3. gereedschap (gereedschap) apparaat waarmee audio- en/of videosignalen van verschillende bronnen gemengd kunnen worden, mengpaneel

Etymologie

* van "mixer", op te vatten als van mixen in de betekenis van ‘mengtoestel voor in de keuken’ voor het eerst aangetroffen in 1959

Vertalingen

Spaansmezclador, mezclador, batidora