missen

/ˈmɪsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) niet raken, niet treffen
    Zijn doel missen.
  2. ov (ov) niet halen
    De bus missen.
    De boot missen (ook figuurlijk).
  3. intr (intr) zich vergissen
    Missen is menselijk.
  4. ov (ov) niet hebben, ontberen
    Een album van een stripreeks missen.
    De outfit komt 'met alle toeters en bellen', inclusief de aanpassingen die Whitney zelf heeft gedaan. In het grijze pak dat de zangeres onder de outfit droeg, zitten zelfs nog wat gaten die er tijdens de opnames zijn ingekomen. Ook missen er daardoor wat chromen balletjes die aan het pak zaten.
    ‘Sinds de hotsprings heb ik je niet meer gezien.’ Met stralende ogen vertelde hij wat ik daar allemaal gemist had: een leuke groep meiden, een kampvuurtje en tot diep in de nacht in het warme water.
  5. ov (ov) de afwezigheid voelen van, en bijgevolg tegelijk verlangen naar
    Ik mis je elke dag een beetje meer.
    Ik had verwacht dat ik me misschien eenzaam zou voelen, menselijk contact zou missen en onrustig zou worden.
    Hij had jaren gespaard om de PCT te kunnen lopen en – ook al miste hij zijn dochter – niks kon hem tegenhouden om Canada te bereiken.
  6. ov (ov) afwezig zijn bij
    Dat concert wil ik voor geen geld missen.
  7. intr (intr) afwezig zijn, ontbreken
    Er mist hier een stuk.

Etymologie

* In de betekenis van ‘niet treffen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200

Uitdrukkingen

  • Gissen doet missen / gissen is missenAls je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout
  • Iemand/iets kunnen missen als kiespijnHeel goed zonder iemand/iets kunnen
  • Iemand/iets node missenDoor afwezigheid in nood gebracht worden.

Vertalingen

Engelsmiss, lack, miss
Duitsverpassen, erreichen, erwischen
Spaanserrar, perder, faltar
Russischскучать
Deenssavne