mismoedigheid

vrouwelijk (de)/mɪsˈmudəxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het wanhopig, neerslachtig en moedeloos zijn
    Ze maakte dat ik in opstand kwam tegen mijn voortdurende mismoedigheid.
    Toch wil hij niet de indruk wekken dat Spot een aaneenschakeling van mismoedigheid is. „Het is vooral vrolijk mopperen, hoor.” Het zou misschien voor zijn aanhang een al te grote schok zijn hun held in de rol van misantroop te zien.

Etymologie

* afleiding van mismoedig